Mâconnais

“Van de zachte hellingen in het Noorden naar de magistrale rotsen in het zuiden”.

De Maconnais is de meest zuidelijke terroir van Bourgogne en de wijngaard strekt zich uit over een lengte van 35 km tussen Sennecy-le-Grand en Saint-Verand. Het gebied is 10 km breed en begrenst door 2 rivieren; in het Westen de Grosne en in het Oosten de Saône. Hier ontdekt u een wijnlandschap met 2 gezichten; ten zuidoosten van Tournus heb je een opeenvolging van beboste heuvels en kleine valleien ideaal voor wijn te verbouwen. Meer in het zuiden maken de heuvels plaats voor monumentale rotsen zoals die van Vergisson en Solutré. Hier staan de stokken aan de voet van de steile hellingen waar er voldoende zon is.

Meer dan elders in de Bourgogne hebben hier de monniken een beslissende rol gespeeld. De abdij van Cluny die in 909 gesticht werd door Guillaume de 1ste, graaf van Macon huldigde het Benedictijnse principe “ora et labora” (gebed en werk) hetgeen de monniken aanzette tot het aanplanten van hun eigen wijngaard. Voor een gedeelte werd door de rijkdom van deze abdij, met voornamelijk wijngaarden in het zuiden van Bourgogne die van Citaeux gesticht in 1098 met voornamelijk wijngaarden in het Noorden waaronder de bekende Romanée-Saint-Vivant.

Maconnais.jpg


In de Maconnais is de Chardonnay omnipresent met een aanplant van 80%. Voor de rode wijnen is er voornamelijk Gamay aangeplant en een beetje Pinot Noir. De gemeentelijke appellaties in deze regio zijn veruit het interessantste met namen als Pouilly-Fuissé, Pouilly-Loché, Viré-Clessé en Saint-Véran. Voor deze laatste is het leuk om te weten dat de wijn zich in tegenstelling tot het dorp zonder de letter d van achter spelt. Een bijkomend weetje is dat ik in dit gebied middende jaren tachtig in het dorpje Davayé de wijnmicrobe te pakken kreeg.